Capgemini verkoopt Amerikaanse dochter na ICE-rel
In dit artikel:
Capgemini heeft besloten zijn Amerikaanse dochterbedrijf Capgemini Government Solutions zo snel mogelijk te verkopen omdat het niet langer wil meewerken aan opdrachten voor ICE, de Amerikaanse immigratie- en douanedienst. De stap volgt op verontwaardiging in Frankrijk en intern onrust nadat bekend werd dat de Amerikaanse tak een tool leverde waarmee mensen zonder legale verblijfsstatus konden worden geïdentificeerd en gelokaliseerd, in het bijzonder bij grootschalige ICE-operaties in Minnesota die volgens critici gepaard gingen met mogelijk excessief politieoptreden en schendingen van grondrechten.
Topmanagement in Parijs zegt van het contract niet op de hoogte te zijn geweest en ontdekte het via openbare bronnen; de Franse directie wijst erop dat strikte Amerikaanse regels rond geheime federale opdrachten de aansturing van zo’n dochter bemoeilijken. Vakbondsvertegenwoordigers concludeerden dat interne controles bij Capgemini tekortschoten. In het persbericht stelt Capgemini dat de beperkte transparantie rond dergelijke overheidsopdrachten maakt dat het bedrijf niet kan garanderen dat de activiteiten van de Amerikaanse eenheid aansluiten bij de waarden van de groep.
Het te verkopen onderdeel is relatief klein: ongeveer 0,4 procent van de wereldwijde omzet in 2025. De zaak past in een bredere context waarin meerdere technologiebedrijven betrokken zijn bij de uitvoering van streng immigratiebeleid onder president Trump. ICE gebruikt sinds 2014 Palantirs Gotham-software en gaf in 2025 een contract van circa 30 miljoen dollar voor een nieuw systeem, ImmigrationOS, dat het hele uitzettingsproces moet stroomlijnen. Daarnaast zet ICE volgens Amerikaanse media ook analysetools van Penlink in, zoals Webloc, om grote hoeveelheden locatie- en bewegingsdata te koppelen aan personen en hun gebruikelijke routes zichtbaar te maken.
De affaire benadrukt spanningen tussen commerciële IT-dienstverlening, staatsveiligheid en privacy- en mensenrechtenzorgen, en illustreert de moeilijkheid voor multinationals om toezicht en ethische kaders te handhaven bij autonoom opererende buitenlandse dochters.