Een explosief boek over The Nerd Reich
In dit artikel:
In deel 9 van De Overstap onderzoekt ict-journalist Robbert Hoeffnagel verschillende kanten van digitale soevereiniteit en autonomie. Aanleiding is onder meer het boek *The Nerd Reich: Silicon Valley Fascism and the War on Democracy* van de Amerikaanse journalist Gil Durán. Daarin beschrijft Durán hoe invloedrijke techondernemers als Peter Thiel, Marc Andreessen, Balaji Srinivasan en Elon Musk volgens hem steeds nadrukkelijker politieke ideeën uitdragen. Zij zouden democratische overheden en publieke instituties vooral zien als belemmeringen voor economische en technologische vooruitgang.
Durán brengt deze ideeën in verband met stromingen die individuele vrijheid, een minimale overheid en door technologie ondersteunde bestuursvormen centraal stellen. Volgens hem denken sommige leiders en investeerders in Silicon Valley niet alleen na over nieuwe producten, maar ook over een fundamenteel andere inrichting van economie en samenleving, waarin technologie, kunstmatige intelligentie, cryptovaluta en sociale media belangrijker worden dan democratische besluitvorming. De auteur gebruikt daarbij stevige termen, zoals “Silicon Valley-fascisme”. Hoe overtuigend die analyse is, moet de lezer zelf beoordelen, maar het boek laat volgens Hoeffnagel zien dat digitale autonomie niet alleen over software, data en wetgeving gaat. Ook de politieke overtuigingen van de mensen achter technologiebedrijven kunnen relevant zijn.
Een concreet voorbeeld van de kwetsbaarheid van digitale afhankelijkheid is het verhaal van de Amerikaanse omroep Nine PBS uit St. Louis. De organisatie verloor de toegang tot ongeveer 50 terabyte aan archiefmateriaal, dat zeventig jaar geschiedenis omvat. De opslagleverancier Open Source Storage stopte met reageren en ging uiteindelijk failliet. De data stond nog wel op servers van datacenterexploitant Iron Mountain, maar die had geen contract met Nine PBS en mocht de bestanden daarom niet zomaar teruggeven. Pas na rechtszaken en rechterlijke bevelen kwam een procedure voor gegevensherstel op gang.
Volgens Hoeffnagel maakt dit duidelijk dat “data in de cloud” in feite betekent dat bestanden op computers van een andere partij staan. Bij de beoordeling van digitale soevereiniteit moet daarom niet alleen worden gekeken naar de vestigingsplaats van een leverancier, buitenlandse wetgeving, encryptie of het datacenter. Minstens zo belangrijk is de vraag hoe gegevens kunnen worden teruggehaald wanneer een leverancier failliet gaat of niet meer bereikbaar is. Organisaties zouden belangrijke data daarom ook lokaal, bij een tweede leverancier of in een zelfstandig herstelbare back-up moeten bewaren. Een goede cloudstrategie toetst niet alleen hoe eenvoudig data kan worden opgeslagen, maar ook of een volledige exit daadwerkelijk uitvoerbaar is.
De auteur plaatst daarnaast vraagtekens bij het gebruik van LinkedIn voor discussies over minder afhankelijkheid van Big Tech. LinkedIn is eigendom van Microsoft en verzamelt profielen, interacties en andere gebruikersgegevens. Toch blijft het platform aantrekkelijk omdat vrijwel iedereen in de zakelijke IT-wereld er aanwezig is. Europese of open source-alternatieven kunnen privacyvriendelijker en autonomer zijn, maar missen vaak de omvang en netwerkeffecten van LinkedIn. Hoeffnagel vraagt zich daarom af of er wel een één-op-éénvervanger nodig is. Kleinere vakgemeenschappen, blogs, nieuwsbrieven, forums, Mastodon-achtige netwerken en RSS-lezers kunnen mogelijk beter aansluiten bij kennisuitwisseling dan een platform dat sterk op zichtbaarheid en marketing is gericht.
Een andere fundamentele kwestie komt van Medhir Bhargava, voormalig Microsoft-medewerker. Hij bepleit een “right to root access”: wie een apparaat koopt, zou in principe zelf moeten kunnen bepalen welke software en welk besturingssysteem erop draaien. Op computers is dat vaak mogelijk, terwijl fabrikanten als Apple smartphones en tablets veel sterker afsluiten. Beveiliging is een legitieme reden voor beperkingen, maar volgens Bhargava zou een eigenaar er bewust voor moeten kunnen kiezen die beperkingen op te heffen. Zijn eigen aanleiding is het plan om een oudere iPhone als server voor zelf gehoste toepassingen te gebruiken.
Tot slot noemt Hoeffnagel enkele hulpmiddelen voor meer controle over de digitale omgeving. Feather Wiki werkt vanuit één html-bestand en kan daardoor eenvoudig lokaal of op een geheugenstick worden meegenomen. De Zweedse dienst StaticHost.eu biedt hosting voor statische websites met een volledig Europese infrastructuur, zonder AWS of Cloudflare. Miniflux is een compacte open source-RSS-lezer die op een eigen server kan draaien. Deze voorbeelden illustreren dat digitale autonomie niet alleen een geopolitiek of juridisch vraagstuk is, maar ook begint met praktische keuzes over opslag, software, apparaten en informatievoorziening.
Vandaag Inside: Johan Derksen stellig: ‘Van Bommel had niet eens geel moeten krijgen!’